Pantheon

( Pigna )

( deel 1/2 )

(Chiesa di Santa Maria dei Martiri)

Adres:

Piazza della Rotonda (rione Pigna).

Coördinaten:

41º 53’ 56,55” N en 12º 28’ 36,29” O.

Openingstijden:

maandag tot en met zaterdag: van 8.30 uur tot 19.30 uur;

zondag van 9.00 uur tot 18.00 uur;

gesloten op 1 januari, 1 mei en 25 december.

NB: Het Pantheon is een katholieke kerk; enige eerbied wordt verlangd.

Roma, Pantheon, Gezien va de Vittoriano, 2009
Dak van het Pantheon, gezien vanaf de Vittoriano

ALGEMEEN

‘Wie Rome heeft bezocht zonder het Pan­theon te hebben gezien, keert terug als een ezel’ zeggen de Romeinen.
Zelfs nu zijn oorspronkelijke glans van de Oudheid grotendeels verloren is gegaan is het Pantheon nog steeds een van de best bewaarde en meest vol­maak­te werken dat van de Romeinse archi­tectuur is overgebleven.
Het Pantheon zou zijn gebouwd op de plek waar Romulus, de stichter van Rome, tijdens een onweer door een wolk gegrepen werd en voor altijd ver­dween: hij was opgenomen onder de goden.
Het woord ’Pantheon’ heeft in het algemeen betrekking op een tempel voor de aanbidding van alle goden. In dit geval slaat het woord Pantheon op ’het volkomen goddelijke’ of ’het algoddelijke’ of ’het hoogst­heilige’. Het gebouw was dus niet bedoeld als een tempel gewijd aan alle goden, maar aan het algod­delijke, de ruimte die geheel door het goddelijk wordt vervuld, een soort hemel, in de Romeinse tijd veelal gesymboliseerd door sterren en planeten. De koepel vervult de rol van hemelboog en de ster­ren worden zichtbaar door de oculus midden in de koepel.
Het Pantheon geeft zijn naam aan de huidige meer generieke term van herdenkings- of begraafplaats voor beroemdheden.

Roma, Pantheon, Dwarsdoorsnede 3 (internet)
Dwarsdoorsnede uit de tijd van Hadrianus *
Roma, Pantheon, Model van reconstructie (internet)
Reconstuctie uit de tijd van Hadrianus *

GESCHIEDENIS

Het oorspronkelijke Pantheon, dat nu niet meer bestaat, is in 27/25 v.Chr. gebouwd door de grote stadsvernieuwer Mar­cus Vipsianus Agrippa, schoonzoon van keizer Augustus, en was naar het zuiden gericht als onderdeel van een reusachtig com­plex op de nieuw inge­deelde Campus Martius, dat behalve het Pantheon ook thermae, Stagnum, Euripus, par­ken en nog andere tempels omvatte. Het Pantheon was waar­schijnlijk gebouwd met tra­vertijnblokken die bedekt waren met marmeren platen.

Toen de Romeinse senaat Marcus Agrippa op een veld­tocht wilde sturen, was hij daar niet blij mee en vroeg enke­le dagen bedenktijd. Tijdens de derde nacht ver­scheen hem in een droom Cybele, de oermoeder en godin van de vruchtbaarheid, die hem beval offers te brengen aan de zeegod Neptunus. Zij beloofde dat zij hem samen met Neptunus zou bij­staan tijdens zijn veld­toch­ten, op voorwaarde dat hij een tempel zou bou­wen zoals zij hem er een in zijn droom zou tonen. 

Nadat hij Perzië had overwonnen en Marcus Antonius in de Slag bij Actium (31 v.Chr.) had verslagen, hield Agrippa woord en bouwde hij de tempel, die aan­van­kelijk was gewijd aan de Gens Iulia en aan Cybele en Neptunus. Later werd de tempel gewijd aan de zeven planetarische goden (Sol-Apollo, Mercurius, Venus, Mars, Jupiter, Saturnus en Neptunus), waar­van de beeltenissen in de zeven grote nissen stonden, met Apollo, alias de Zon in het midden onder een reusachtig bolvormig uitspansel. 

Het beeld van Venus moet ooit oor­bel­len hebben gedragen, gemaakt van twee helften van een enorm grote parel die Marcus Antonius van Cleopatra afhandig had gemaakt. De beelden van de godin­nen in de klassieke tempels waren, net als de heiligen­beel­den in latere Romeinse kerken, met juwelen getooid. De borst van Julius Caesars ’Venus Genetrix’ was bijvoorbeeld met Brit­se parels overdekt, terwijl de beroemde ’Diana van Nemi’ naast een met 21 topazen en 8o karbonkels bezette kroon een dia­deem, negen oorhangers, acht halskettingen en met beril en ande­re edelstenen versierde armbanden droeg, waarvan de gegra­veerde opsomming nog altijd bestaat.

Roma, Pantheon, oorspronkelijk plan (internet)
Plattegrond van de tempel van Agrippa *

Na een brand in 80 n.Chr. werd het Pantheon door Domitianus geres­taureerd, Later na een allesverwoestende brand werd het Pan­theon omstreeks 127 n.Chr. volledig herbouwd door keizer Hadria­nus, dit maal uit baksteen en beton en die de ingang verplaatste naar noordelijke richting. Volgens sommigen was Apollodorus van Damascus de architect. In feite werd toen een geheel nieuw Pantheon gebouwd. In 202 n.Chr. werd het Pantheon door Septi­mus Severus en Caracalla grondig gerestaureerd.
In de 4e eeuw werd het Pantheon net als alle andere heidense heiligdommen gesloten door de eerste chris­telijke keizers en in 408/’10 door het leger van Alaric leeggeplunderd, het Pantheon achterlatend als een bedreigd gevaarte.

Na de val van het West-Romeinse Rijk bleef het Pantheon in het bezit van de Byzantijnse keizers. Het werd uiteindelijk van de ondergang gered door paus Bonifatius IV, die het op 23 mei 609 cadeau kreeg van de Byzantijnse keizer Phocas, degene van de gelijk­na­mige zuil op het Forum Romanum, en het gebouw ver­an­derde in een kerk gewijd aan Maria en aan alle bloed­getuigen: ’Sancta Maria ad Martyres’ nu bekend als ’Santa Maria dei Martiri’ (in de volksmond: ’Santa Maria Rotonda’, naar de vorm van het gebouw). Deze titel draagt de kerk nu nog steeds. Door de ingebruikna­me als kerk is het Pantheon, in tegenstelling tot de meeste Ro­meinse tempels, nooit afgebroken. De paus liet 28 ossen­karren vol met beenderen uit de catacomben naar de kerk brengen en liet deze onder de vloer ter plaat­se van het altaar herbegraven; hiermee maakte hij een begin met het leeghalen van de catacomben die in de woes­tenij rond Rome niet meer veilig waren. De kerk werd op 13 mei 610 feestelijk ingewijd en bij die gele­genheid werd de feestdag van Allerheiligen ingesteld. In 835 verplaatste paus Gregorius IV het feest naar 1 november, waarop het nu nog gevierd wordt.

Roma, Pantheon, Maquette uit 4e eeuw (internet)
Reconstructie uit de 4e eeuw *
Roma, Pantheon, Geveltekening (internet)
Vooraanzicht *

Tot het ontstaan van de Kerkelijke Staat in 756 viel Rome onder het Byzan­tijn­se Rijk. De enige Oost-Romeinse keizer die de hoofdstad van het chris­ten­dom ooit bezocht, was Constans II Pogonatus in juli 663, naar aanleiding van een veldtocht tegen de Lombardiërs. Bij die gelegenheid werd het Pan­theon ontdaan van zijn vergulde, bronzen dakpannen en resterende orna­men­ten om de monumenten in Constantinopel te gaan sieren, waarna Gre­go­rius III (731‑741) het dak met lood liet bedekken (735). Daarvoor had hij eerst zelf de vergulde, bronzen rozetten uit het cassetteplafond laten weg­ha­len.

In 1153 bouwde paus Anastasius IV zijn paleis in het Pantheon en geduren­de de pauselijke ballingschap in Avignon werd het gebruikt als burcht in de strijd tussen de Orsini’s en de Colonna’s.
In de vroege Renaissan­ce werd het Pantheon geres­taureerd, maar daar­na liet paus Urba­nus VIII in 1625/’32 de bron­zen platen en orna­men­ten van het plafond boven het portaal weg­ha­len en gebruikte deze voor het overigens schitte­ren­de baldakijn boven het hoofdaltaar van de Sint Pieter. Het ging om circa 250 ton brons (één bron­zen spijker woog ongeveer vierentwintig kilo!). Er bleef toen nog genoeg brons over om er ook veertig (vol­gens anderen tachtig) kanonnen voor de Enge­len­burcht mee te gieten, waartoe het Vaticaan spe­ci­aal twee bronsgieterijen liet inrichten. Met een toe­speling op de familienaam van de paus, Barberini, merkte het sprekende standbeeld Pasquino op: “Quod non fecerunt barbari, fecerunt Barberini” (wat de barbaren niet deden, deden de Barberini’s).

Roma, Pantheon, Gevel bij nacht (internet)
Pantheon bij nacht *
Roma, Pantheon, Kapiteel buitenzijde, 2009
Kapiteel (linkse buitenmuur)
Roma, Pantheon, Zijgevel re, 2009
Rechtse gevel

De paus verdedigde zijn baldakijn door te antwoorden dat hij een kunstwerk had laten maken van iets wat er geen was. Het spreekt voor de kunstvaardigheid van de onbekende architect uit de oudheid, dat het gebouw de zware ingrepen heeft doorstaan. Bernini werkte wel vaker voor paus Urbanus VIII. Toen deze paus werd, moet hij tegen Bernini hebben gezegd: “Weliswaar hebt u geluk dat ik paus ben gewor­den, maar nog gelukkiger is het dat onze levens samenvallen”. Bernini werd zijn vriend en ver­trou­weling. Hij was altijd welkom in het Vaticaan, in die mate zelfs dat hij de paus soms begeleidde tot in zijn slaapkamer, de gordijnen sloot en de kaarsen uitblies alvorens afscheid te nemen. De paus benoem­de Bernini ook tot commissaris-opzichter der fonteinen. Ondanks de bronsroof was Urba­nus VIII niet alleen maar een barbaar. Hij was ook een dich­ter en zijn verzen werden in 1634 uitgegeven door de Antwerpse drukkerij Plantijn-Moretus met een titel­prent van Rubens.

In 1632 werd het fronton van het Pantheon door Bernini ’ver­fraaid’ met twee torentjes. Pasquino doopte deze meteen tot “orecchie d’asino” (ezelsoren van Bernini). Ber­ni­ni was weinig fortuinlijk met het bouwen van torens. Niet alleen werden de torens die hij bij de Sint Pieter had gebouwd moesten weer worden afgebroken, maar ook de twee torentjes van het Pantheon werden in 1882/’3 gesloopt.

Roma, Pantheon, 1835 met ezelsoren (internet)
Met de ’ezelsoren’ van Bernini (1835) *

Na 20 september 1870 kwam het Pantheon in het bezit van de koningen van Italië en werd het omgedoopt tot de Basilica Palatina. Het gebouw werd het mausoleum voor de Italiaanse vorsten. De koningen Vittorio Emanuele II en Umberto I zijn hier bijgezet. Koning Vittorio Emanuele III, die Benito Mussolini aan de macht hielp, werd hier vanwege zijn foute houding niet bijgezet, net zomin als koning Umberto II (Il re di Maggio), die slechts enkele weken regeerde en bij het begin van de republiek in 1946 in vrijwillige ballingschap ging.
Hoe indrukwekkend het interieur ook is, het leven ontbreekt eraan en eigenlijk telt het Pantheon maar half als kerk omdat het niet meer dan verdwenen folklore heeft te bieden. Het Pantheon combineerde de Latijnse ronde tempel, die teruggaat op de uit takken gevlochten ijzertijdhut, met het Grieks-Hellenistische peripterosfront. Het is een massief gebouw, waarvan de
cilindrische cella is gekoppeld aan een diepe, rechthoekige voorhal (pronaos) met zuilen en een driehoekige fronton, zodat diverse geometrische vormen gecombineerd worden. Aan de buitenzijde heeft de rotonda een diameter van 58 meter.

Roma, Pantheon, Zijgevel li, 2009
Linkse gevel

EXTERIEUR

De Via della Rotonda (met het gezicht naar de voorgevel: de weg langs de rechtse zijgevel) biedt een goed zicht op de zware ontlastingsbogen in de 6,20 meter dikke muren.

Aan de achterzijde van het gebouw (Via della Palombella) zijn een lange muur met een apsisvormige nis, fragmenten van beeldhouwwerken en twee stevige Korinthische zuilen, waarvan er nog een intact is, te zien. 

Bijzonder mooi is ook de architraaf met een fries met dolfijnen, die is aangebracht tijdens een restauratie in de 2e eeuw. Naar de dolfijnen zal de straat abusievelijk genoemd zijn (palombella = haaitje)

Dit alles zijn de overblijfselen van de Basilico di Nettuno, die tussen het Pantheon en de Thermen van Agrippa stond. De zaal mat destijds 45 bij 19 meter en werd vrijwel gelijktijdig met het Pantheon opgetrokken. De nog resterende muur was ooit een deel van de noordelijke sluitwand.

Het is thans nauwelijks nog voor te stellen hoe schitterend het Pantheon er moet hebben uitgezien in de tijd van Augustus.

Roma, Pantheon, Narthex 2, 2009
Pronaos met uitzicht naar de Piazza della Rotonda
Roma, Pantheon, Achterzijde, 2009
Achterzijde met de resten van de Basilico di Nettuno
Roma, Pantheon, Geveltekst, 2009
Gevelteksten

Pronaos (voorhal)

Het portaal werd op een podium bovenaan een trap van vijf treden (1,30 meter boven straatniveau) gebouwd. Deze trap is onder de bestra­ting verdwenen omdat het straatniveau in de Oudheid vele meters lager lag dan nu. Om het Pantheon te bereiken moet men nu zelfs een trap af in plaats van een trap op. De oorspronkelijke begane grond is aan de zijkanten uitgegraven, met aan de linkse zijde de res­ten van de portico uit de tijd van Julius Caesar: de Saepta Iulia.
De entree wordt gevormd door een 33,50 meter breed en 15,50 meter diep portaal met zestien monolithische, Korinthische zuilen van rood­achtig en grijs Egyptisch graniet uit de Oudheid, met uitzondering van de drie aan de linkerkant, die in de 17e eeuw onder Urbanus VIII en Alexander VII zijn ver­van­gen en herkenbaar zijn aan de marmeren kapitelen met de pauselijke emblemen: de bijen van de Bar­berini’s en de sterren van de Chigi’s. Deze drie zuilen zijn afkomstig uit de nabijgelegen Thermen van Nero. De zuilen zijn 12,50 meter hoog, hebben een omtrek van 4,50 meter en wegen elk 60 à 70 ton. In het front staan acht zuilen. Achter de 1e, 3e, 6e en 8e staan vier rijen van telkens twee zuilen, die de ruim­te in drie schepen verdelen.

In ieder van de beide buitenste beuken bevindt zich een halfcirkelvormige nis, waarin oorspronkelijk gro­te standbeelden van Augustus en Agrippa waren opgesteld. In het midden van het hoofdportaal van de tempel met de enige ingang.

De kroonlijst van het Griekse dak draagt langs de gevel een inscriptie met de vermelding van de stich­ting van het Pantheon door Agrippa: “M·AGRIPPA·L·F·COS·TERTIUM·FECIT” (Marcus Agrippa Lucii Filius Consul Tertium Fecit, ofwel: Marcus Agrippa, zoon van Lucius, maakte het tijdens zijn derde consulaat). Dit was dus in 27 v.Chr.

Deze letters zijn niet de originele uit de Oudheid, maar werden pas later aangebracht. Dankzij de gaten in de fries, waarin het opschrift was vastgeklonken, en de uithollingen heeft men de oorspronkelijke tekst kunnen reconstrueren. Keizer Hadrianus liet niet zijn eigen naam op de gevel vereeuwigen, omdat dit bij de senaat niet in goede aarde zou vallen. Bovendien wilde Hadrianus door de vermelding van de naam van Agrippa, de rechterhand van Augustus, zich legitimeren als Augustus’ opvolger. De inscrip­tie komt voor in de biografie van Suetonius over keizer Augustus, waarin een adelaar boven de eer­ste letter “M” ging zitten.

Roma, Pantheon, Gevel 3, 2009
Pronaos
Roma, Pantheon, Gevel 1, 2009
Pronaos
Roma, Pantheon, Gevel 2, 2009
Pronaos

Aangezien het Latijnse woord ’Mors’ (dood) ook met een M begint, zag Augustus hier een voorteken in dat zijn einde naderde.
Het fronton was vroeger versierd met reliëfbeeld­houw­werk van verguld brons, onder andere een ade­laar met de corona civica. Men gaat ervan uit dat dit beeldhouwwerk uitgevoerd was door Dio­ge­nes van Athene.

De 7,53 (zes) meter hoge, 4,90 meter brede (gulden sne­de) en 36 centimeter dikke deurpanelen van de hoofd­ingang zijn gemaakt van met brons bekleed hout en schijnen nog oorspronkelijk uit de tijd van Hadria­nus te zijn (dit wordt alom betwijfeld); zij werden onder paus Pius IV in 1563/’66 helaas zwaar geres­taureerd. De vier cassetten zijn voorzien van bus­ten van Jezus en van Maria.
De linkse deur van de pronaos geeft toegang tot een trap die naar de koepel leidt. Vanaf de koepel heeft men een mooi uitzicht over de oude binnen­stad van Rome (toe­gang alleen op aanvraag bij de Directeur van de Acca­demia Pontificia delle Belle Arti).
Er bestaat in het Pan­theon nog steeds een “Con­gregazione dei Vir­tuosi del Pan­theon”, beter bekend als de ’Accademia dei Vir­tuosi’ (Broederschap van de deugdzamen), in 1542/3 gesticht door een cisterciënzer monnik (waarschijnlijk Desiderio da Segni) op aangeven van paus Paulus III.

Roma, Pantheon, Narthex 3, 2009
Dak van de pronaos
Roma, Pantheon, Ingang, 2009
Ingang
Roma, Pantheon, Ingang 2 (internet)
Toegangsdeur *
Roma, Pantheon, Narthex 1, 2009
Pronaos met de linkse deur

Ze heten ’virtuozen’ omdat ze in ’de glorie van het geloof’ de kunst beoefenen. Boven de deur in de nis links van de hoofdingang staan hun namen nog te lezen. In hun door lelies en rozen omkranste ronde insigne zijn een passer, penselen en beitels afgebeeld, symbolen voor bouw‑, schilder- en beeldhouw­kunst. Daaromheen staat de tekst “Florent in Domo Domini” (ze bloeien in het huis van de Heer)

De con­gregatie werd in 1928 door paus Pius XI gepromoveerd tot Pauselijke Academie en is nog steeds actief onder de naam ’Accademia Pontificia delle Belle Arti’; de zetel van de broederschap is inmiddels ver­plaatst naar het Palazzo della Cancelleria. Vanaf het einde van de 16e eeuw tot halverwege de 18e eeuw organiseerde de broederschap elk jaar op 19 maart, de feestdag van hun beschermheilige sint Jozef, tentoonstellingen in de voorhal van het Pantheon. Gereputeerde kunstenaars als Bernini, Cara­vaggio, Carracci, Algardi, Maderno, Da Corto­na, Vignola, Valadier, Poussin, Canova en anderen waren ooit lid van het genootschap evenals enkele van de roemruchte Nederlandse ’bentvueghels’. Ze zet­ten daarmee een lange traditie voort, want we weten dat Agrippa al schilderijen liet tentoonstel­len in het Pantheon.

In de vloer ligt de grafsteen van ene Tom­maso, bijge­naamd Scocciapila, gestor­ven in een gevecht met soldaten uit Bretagne en Gascogne vlakbij de Ponte Salario op 16 juli 1388 ’In servitio republicae romanae’.

INTERIEUR

Het door de eeuwen heen steeds met verbazing aanschouwde architecto­ni­sche wonderwerk is echter de cella zelf, een ruimte in grootsheid en vol­maakte harmonie der maten.

Roma, Pantheon, Dwarsdoorsnede 1 (internet)
Dwarsdoorsnede van het interieur *
Roma, Pantheon, Giovanni Paolo Panini, 17e eeuw (internet)
Giovanni Paolo Panini (17e eeuw) *

Koepel

De klassieke koepel is van ongekende durf en is na 2000 jaar nog steeds een van de machtigste ruimteschep­pin­gen ter wereld. Nog afgezien van de schoonheid van het gebouw, is het Pantheon een bouwkundige toppres­ta­tie waarvoor ingewikkelde berekeningen en diepgaan­de kennis van constructietechniek nodig moeten zijn geweest om een bouwwerk als dit neer te zetten, want de koe­pel kent geen bogen of steungewelven. Hoewel dit niet zo lijkt zijn de diameter en de hoogte van de koepel aan elkaar gelijk, namelijk 43,30 meter, de koepel is dus pre­cies een halve bol. Wanneer men in gedachten de koe­pel naar beneden aan­vult tot een bol, dan kan deze precies in de cilinder wor­den ingeschreven; in feite heeft men de onderste helft van de bol ver­vangen door een cilinder. In deze bolvorm ligt mogelijk een ver­wij­zing naar de vorm van de kosmos verborgen, maar misschien ook naar de zonnebol van Sol-Apollo, de Romeinse staatsgod en opper­ste van de goden der planeten. 

In het exterieur moest men zijn toevlucht nemen tot een kunstgreep om de weliswaar meet­kun­dig volmaakte, maar optisch onbevredigende verhouding van 1:1 tussen de diameter van de cilinder en de koepelhoogte te ver­ber­gen. De wand is als een soort tamboer tot driekwart van de tota­le hoogte opgetrokken. Het dak overspant met vlakke treden de aldus ontstane holle ruimte tussen wand en koepel en maakt de ver­schillende diameters aan elkaar gelijk.

De koepel werd op een tijdelijk, houten raamwerk gedeeltelijk gemet­seld in baksteen en gedeeltelijk gegoten in een soort beton in opeen­volgende lagen aangemaakt die van steeds lichter wordend materiaal waren, met travertin, tuf­steen, baksteen en puimsteen, zoals dat in de oudheid bij de meeste koepels van dat type gebeurde.

Roma, Pantheon, Binnenzijde ri altaar 1, 2009
Interieur gezien richting apsis
Roma, Pantheon, Binnenzijde ri ingang, 2009
Interieur gezien richting ingang

De vijf rijen van elk 28 uitgespaarde cassettes die naar de oculus toe kleiner worden, dienden niet alleen als verfraaiing en om de blik naar de oculus te trekken, maar ook als gewichtsbesparing van de koepel.

Bovendien neemt de dikte van de koepel naar boven toe af: waar hij op de trommel rust is hij 6,20 meter dik, tegen de opening aan nog ’slechts’ 1,50 meter. Het beton rond de opening is gemaakt van heel licht vul­kanisch gesteente dat zelfs in water blijft drijven. De koepelcassetten, die naar de oculus toe steeds klei­ner worden om de blik daar naartoe te trekken, waren oorspronkelijk versierd met vergulde bron­zen rozetten en sterren op een blauwe achtergrond, die het uitspansel suggereerden. De koepel is in de Renais­sance en Barok een bron van inspiratie geweest. Brunelleschi bij de koepel van de dom van Flo­rence, Michelangelo bij de koepel van de Sint Pieter in Rome en Justinianus bij de koepel van de Aya Sophia in Constantinopel hebben de koepel van het Pantheon domweg nagebouwd in de hoop dat deze ste­vig genoeg zou zijn en niet zou instorten. Hiermee is de koepel van het Pantheon zowel in de chris­te­lijke wereld in Europa als in de moslimwereld in het Midden-Oosten het grote voorbeeld geworden voor de koepelbouw.

De grote cirkelvormige oculus, centraal in de kruin van de koepel is de enige lichtbron, omdat de muren te dik zijn om ramen in te maken. De oculus zorgt ervoor dat de koepel soepel blijft en aardbe­ving­bestendig. Dit oog waarmee in de kosmos wordt gekeken, heeft een diameter van 8,92 meter, was vroe­ger afgezet met brons en symboliseert de zon, waar de andere planeten omheen draaien en waar­door al het goddelijk naar binnen kwam.

Als de zon bovenin de koepelbol scheen stond de tempelgan­ger in de Oudheid in een baaierd van goud; het moet overweldigend zijn geweest. In later eeuwen werd met Maria Hemelvaart (15 augustus) een (kartonnen) beeld van Maria omhoog gehesen en met Pink­steren, als de paus in het Pantheon de mis kwam opdragen, liet men een regenbui van rozenblaad­jes door de opening dwarrelen. 

 

Het verhaal gaat dat het Pantheon oorspronkelijk geen opening in het dak had en dat het licht uitsluitend door de openstaande deuren naar binnen kwam. Toen paus Boni­fa­tius IV het Pantheon echter betrad na de schenking door Phocas, maakte hij een zegenend kruisteken naar de koepel, en ziedaar, het gewelf opende zich. 

Een andere legende vertelt dat, toen paus Bonifa­tius IV bij de inbezitneming van het Pantheon het gebouw wilde inzegenen, er bij het ’Gloria in excelsis Deo’ grote scharen begraven demonen naar het dak opstegen. De opening in de koepel, waar zij door­heen ontsnapten, zou gemaakt zijn door de horens van een reusachtige duivel.

De ronde dakopening heeft geen afdekking zodat bij zware buien het hemelwater overvloedig naar bin­nen plenst, dit water wordt via afvloei-openin­gen en goten in de vloer weggewerkt.
In deze vloer zijn gekleurde, geometrische patro­nen van afwisselend cirkels en vierkanten uit de Oud­heid te zien, bestaande uit rood porfieren, grijs gra­nieten en gekleurde marmeren platen. De vloer is niet vlak, maar loopt vanuit het midden naar de muren ongeveer 30 cm op om het regenwater naar de afvoer onder de oculus te leiden.

Het enorme gewicht van de koepel wordt verdeeld over acht ontlastingsbogen die uit de dikke muren steken. In de onderste wandzone ontstaan zo zeven die­pe exedra’s (nu kapellen) met afwisselend een rond en een trapeziumvormig grondvlak (de achtste nis is de ingang), waartussen steeds een aedicula (kioskvormige beeldnis) is geplaatst.

Roma, Pantheon, Bovenring, teruggerestaureerd deel. 2011
Gerestaureerde deel van de bovenwand

Elke kapel wordt begrensd door twee gecanneleerde, monolithische, Korinthische zuilen en twee pilas­ters van geel marmer, elk negen meter hoog die ter afsluiting van de onderste wandverdieping de rond­lopende architraaf dragen. Deze wordt alleen boven de grote ronde nissen in het oosten en het wes­ten (waarin de beide koningsgraven) onderbroken door bogen, die tot in de volgende wandverdie­ping oprijzen. De centrale nis, waar zich nu het altaar bevindt, heeft een afwijkend ontwerp en heeft een grote boog ter verticale ontlasting van de twee pilasters.

In de vooruitstekende aediculae tussen de kapellen bevinden zich beeldnissen, waarvan de driehoekige en segmentvormige frontons voor de renaissancekunstenaars een inspiratiebron waren voor het ont­werp van hun paleisvensters. Zij worden ondersteund door twee porfieren of granieten Korinthische zui­len. Deze nissen dienden (en dienen nog steeds) als voetstuk voor standbeelden. Zij zijn nu veran­derd in altaren.

De wanden zijn bedekt met gekleurde marmeren platen.

De bovenste wandverdieping is lager dan de onderste. De ruimte tussen de kroonlijst en de onderkant van de koepel werd in 1747 naar een ontwerp van Paolo Posi en Luigi Vanvitelli (Lodewijk van Wittel) voor­zien van een reeks omlijstingen en schijnvensters met een bekronend tympanon en vierkante wand­velden, die door een profilering omlijst worden. De wandbekleding is uitgevoerd in marmer van ver­schillende kleuren.
Het gedeelte van de kerk boven de derde kapel rechts is in 1930 gedeel­telijk weer in zijn oorspronkelijke staat hersteld.

* Bron afbeelding: Internet (auteur niet kunnen achterhalen)